Het tweede luik: lichtsignalen.

Licht is waarschijnlijk een van de wonderlijkste natuurkrachten die er bestaat. Het is zeker een die sterk tot de verbeelding van mensen spreekt. En eigenlijk is dat precies wat licht doet: het helpt beelden creëren. Doordat licht wordt weerkaatst, helpt het onze hersenen onze omgeving vertalen naar kleuren en vormen. Zo delen we de wereld in herkenbare objecten in, en vinden we onze weg. Stel je voor dat je zou kunnen ontcijferen hoe licht dat doet. Dan zou je nieuwe beelden kunnen creëren. Je zou het licht als het ware kunnen herschrijven.

En hier begint het tweede deel van mijn ontdekkingsreis.

 

Tijdens biologieles heb je misschien geleerd dat niet alleen mensen, maar ook planten en dieren licht kunnen waarnemen en dit gebruiken om te overleven in hun omgeving. Licht bestaat uit een breed spectrum van elektromagnetische golven, variërend van heel kort tot heel lang, en geen enkel organisme kan dat volledige spectrum zien. Elk wezen heeft zijn eigen bereik. In dat opzicht delen planten en insecten een interessante overeenkomst: ze reageren allebei sterk op Uv-licht.

En die slimme planten kregen dat door.

 

 

Egelantier in het zonlicht

Planten gebruiken licht niet alleen om energie te maken, maar ook om te bepalen of ze moeten kiemen, of ze in de schaduw staan, hoe lang de dag duurt en om hun interne klok gelijk te zetten. Ze meten het licht voortdurend en vertalen die informatie naar aanpassingen in hun eigen cellen. Insecten gebruiken licht om te zien, maar hun wereld heeft heel andere kleuren dan de onze. Ze zien ultraviolet, blauw en groen, en op een enkele soort na zien ze geen rood. Hun zicht is verschoven naar het ultraviolet. Daarmee herkennen ze bijvoorbeeld soortgenoten en gebruiken ze de UV‑patronen aan de hemel om te navigeren.

Planten ontwikkelden een manier om dat vertrouwen van insecten in Uv‑licht en Uv‑patronen te gebruiken. Het zonlicht dat de aarde bereikt heeft sterke pieken in blauw en rood, en planten zijn geëvolueerd om precies die delen te benutten. Hun bloemen bevatten pigmenten die bepaalde golflengten absorberen en andere juist reflecteren. Daarmee begonnen ze het licht te herschrijven naar  contrastrijke UV‑patronen; een taal die voor insecten oplicht als verborgen boodschappen. Planten vertellen insecten op die manier waar ze staan, of er nog wat te halen valt en hoe daar bij te komen. En op die manier verzekeren planten zich van hun voortbestaan.

Aardhommel vindt haar weg naar de nectar

 

Poeh! Dat was een ontdekking die ik even op me moest laten inwerken. Een roos is dus niet rood, een goudsbloem niet oranje en een daglelie niet geel. Wij zien niet de echte kleuren van een bloem. Simpelweg omdat wij geen rol spelen in dit verhaal.

Wij denken dat kleur een eigenschap is. Maar wat we eigenlijk zien, is de weerkaatsing van licht dat door de bloem zelf als onbruikbaar wordt teruggestuurd. Dat besef is op zichzelf best schokkend. Onze hersenen maken er iets van dat voor ons logisch lijkt, maar in feite nemen ze een loopje met ons.

Dat geur en licht onderdeel uitmaken van de plantentaal is me nu duidelijk. Maar er mist nog iets. Ik weet nu wel dat planten UV-patronen gebruiken, maar hoe doen ze dat? Ze weerkaatsen niet willekeurig licht; er zit ordening in. Anders zijn het geen patronen. En precies daar komt dat beetje wiskunde om de hoek kijken.

Ben je klaar voor het laatste deel van mijn ontdekkingsreis? Open dan het derde luik.

 

Hier kun je terug naar de beginpagina van Plantentaal.