Het College van Hoeders

Het constante gezoem van insecten, het ruisen van de wind door de planten en het middagzonnetje hadden me doen wegsoezen op het bankje. Op een gegeven moment leek het of ik stemmen opgewonden met elkaar hoorde praten. Ik opende mijn ogen, maar zag niemand. De stemmen waren er wel. Ik keek in de richting van het geluid en dacht verbaasd: de wilg?

Langzaam stond ik op en liep naar de wilg toe. De stemmen werden duidelijker. “Wij zijn de echte bewoners. Wij zijn hier geworteld. Wij hebben meer recht op de Idylle dan anderen.” Het kwam uit een kleine holte in de stam, vlak onder een dikke tak. “Het feit dat zij ergens anders vandaan komen, maakt hen nog niet minder dan wij.” “Misschien niet. Maar ze zijn wel anders. Ze doen ook anders. En ze zien er anders uit.”

In de holte zaten een vloeivlek-, een schaakbord-, een roomvlek- en een citroenlieveheersbeestje. Goed verscholen, maar niet helemaal onzichtbaar. En ook niet onhoorbaar. Ze waren met elkaar in debat en gingen daar zo in op, dat ze mij niet opmerkten.

Het was al snel duidelijk waar het om ging: de Ontheemden. Onbewust gaf ik ze namen, terwijl hun standpunten duidelijk werden. Roomvlek riep het luidst. Het was al vol genoeg en er was geen ruimte voor al die nieuwkomers. Hij wilde maatregelen om ze eruit te krijgen en maatregelen om te ontmoedigen. Daarbij porde hij steeds Schaak aan, om zijn gelijk te bevestigen. Roomvlek leek me niet kwaadaardig. Eerder bang. Bang om te verdwijnen. En daarom klampte Roomvlek zich vast aan ‘rechten op basis van het verleden’.

Schaak was ervan overtuigd dat al die Ontheemden ten koste zouden gaan van de eigen identiteit. Dat de eigen cultuur langzaam verloren zou gaan. Schaak leek bang voor verandering.

het College

Ze zijn niet anders. Ze zijn net als wij en verdienen daarom dezelfde ruimte en kansen.” Dat was Vloei. Vloei probeerde de verschillen te overbruggen. Probeerde wanhopig de Inheemsen en Ontheemden theoretisch te verbinden en ontkende daarbij onbewust de eigen persoonlijkheid van de laatsten.

Citroen liep van de een naar de ander. Probeerde te sussen. Probeerde ze naar elkaar te laten luisteren. Maar het debat verharde zich. Standpunten polariseerden. Het dreef steeds verder van de realiteit weg. Het werd een dovemansgesprek, waar niemand nog luisterde.

Ik ging zo op in mijn verbazing over wat er besproken werd, dat het me ontging dat het onvoorstelbaar is dat ik insecten met elkaar kan horen praten.

langzaam kregen planten en bloemen weer vorm

Verdwaasd keek ik om me heen. Eerst zag ik nog een mengeling van groen en heldere kleuren. Langzaam kregen planten en bloemen weer vorm. Alsof ik weer grip op de realiteit kreeg. De stemmen uit de wilg zakten weg naar de achtergrond. Mijn blik werd gevangen door een ander tafereel. Op meerdere plekken in de tuin zag ik Oranje Jasjes met zwarte stippen. Pas toen drong het tot me door: er zat geen enkel Oranje Jasje in de holte. Toch waren zij hier, in de Idylle, talrijker dan de andere soorten.

Toen ik beter keek, zag ik ook de Ontheemden. Niet meer dan de Oranje Jasjes, maar wel meer dan de rest. De tuin leek een totaal andere wereld dan wat er zich in die holte afspeelde. Er werd niet geroepen om maatregelen. Er werd niet naarstig geprobeerd groepen te integreren. Er hoefde niemand te sussen. Het zag er ook niet naar uit, dat er sprake van angst was. 

Het contrast was zo groot, dat ik me afvroeg waar ze zich in die holte zo druk om maakten. Als ze de moeite hadden genomen om naar buiten te komen, om te observeren wat er werkelijk in de tuin om hen heen gebeurde, dan hadden ze vast een heel ander gesprek gehad.

Je lijkt een beetje afwezig”, hoorde ik ineens. Ik keek om me heen en zag een Oranje Jasje op een blad van de kamperfoelie zitten, half verscholen tussen de takken van de wilg.

Nou… ja... ik…”begon ik stamelend. “Ik hoorde net het gesprek daar in die holte, en…” “En toen keek je om je heen en zag je dat het anders was.”

“Ja, maar hoe weet je dat?” “Het viel duidelijk van je gezicht te lezen.” Het Oranje Jasje schoof iets naar voren, alsof het me beter wilde kunnen zien.

Daar in die holte”, ging het verder, “ dat zijn op zich geen domme gasten, weet je. En ze zijn ook niet slecht of boosaardig. Maar ze blijven nogal hangen in retoriek en theorie. Ze zitten daar zo vaak en zo lang te debatteren over hoe het zou moeten reilen en zeilen hier in de tuin, dat ze het contact een beetje kwijt zijn.”

Het Jasje keek even omhoog naar de holte.

En als ze dan naar buiten komen, komen ze met voorstellen en maatregelen die niet uitvoerbaar zijn. Juist omdat ze niet aansluiten bij ons alledaagse leven. We noemen ze wel eens gekscherend het ‘College van Hoeders’.” Het glimlachte even, alsof het die bijnaam zelf ook wat overdreven vond.

Wanneer je goed om je heen kijkt”, vervolgde het, ”zul je zien dat wij er het beste van proberen te maken. We hebben zo onze dagelijkse beslommeringen en verantwoordelijkheden". 

het Oranje Jasje schoof iets naar voren

"We proberen goed op te schieten met onze buren. We respecteren elkaar. Sommigen zeggen elkaar alleen goedendag, terwijl anderen ook tijd nemen met elkaar op te trekken”.

Het Jasje keek naar een Ontheemde die voorzichtig over een blad liep. “We weten dat we in een buurt leven, samen met anderen. Ieder heeft een eigen geschiedenis, een eigen afkomst. En ja er zijn verschillen. En ja het gaat niet altijd gemakkelijk. We zijn allemaal beïnvloedbaar voor irrelevante meningen. Maar daar maken we ons minder druk om.”

Het keek mij weer aan. “Wat we vooral willen, is leren samenleven. Zodat iedereen het prettig heeft.”

Het viel me op dat de Ontheemde was blijven staan.

Als je het niet erg vindt”, zei het Oranje Jasje, “ga ik weer verder. Ik heb m’n buurman belooft dat we samen een blokje om zouden. En wie weet, genieten we nog even van een paar sappige luizen”, zei het met een knipoog. Het Oranje Jasje en de Ontheemde draaiden zich om en liepen rustig weg.

Ik keek ze na en overdacht de woorden van het Oranje Jasje.

Als vanuit de verte hoorde ik nog steeds het gedempte debat uit de holte. De stemmen stegen en daalden, maar bereikten niets en niemand. Ik besefte dat de toekomst niet in de beslotenheid van een vergaderruimte werd bepaald. Maar hier, om me heen. Waar verschillen niet werden weggepraat, maar gezien. Waar ruimte werd gemaakt, simpelweg omdat er geleefd werd.

De stemmen verstomden. Ik staarde een beetje in het niets. Het werd kouder.

He buur, tijd om wakker te worden jongen! Het regent. Je bent misschien wat meer aan de kou gewend dan ik, maar volgens mij is het beter om naar binnen te gaan.” Ik deed verschrikt mijn ogen open en keek recht in het gezicht van Karim, mijn Syrische buurman. Hij schudde nog zachtjes aan mijn schouder. “Tjee, bedankt!” “Nou ja, als we morgen nog samen willen BBQ-en, is het maar beter dat je niet ziek wordt.

Karim liep lachend weg, terwijl ik snel de kussens van de bank pakte en naar binnen ging.

(De illustraties zijn AI-gegenereerd op basis van tuinfoto’s uit De Kleine Idylle. Ze zijn niet letterlijk, maar verbeelden momenten uit het verhaal - tussen werkelijkheid en mythe.)

Wil je weten welke lieveheersbeestjes er in de Kleine Idylle leven? kijk dan hier.