Niet alle lieveheersbeestjes zijn oranje

Dankzij de variatie aan planten, de afwisseling van zon en schaduw, het spel tussen hoge en lage beplanting, de vijver, slordig gestapelde stenen en de ‘verwaarloosde’ plekjes, bestaat de Kleine Idylle uit een mozaïek van micro‑habitats. Dat is een bewuste keuze: op deze manier wordt de biodiversiteit zo rijk mogelijk. Insecten hebben immers allemaal hun eigen voorkeuren voor wat zij een prettige leefomgeving vinden. Naast dat dit een rijkdom aan bijen, hommels, vlinders en zweefvliegen oplevert, heeft deze opzet me laten zien dat niet alle lieveheersbeestjes oranje met zwarte stippen zijn. Sommige soorten duiken overal in de tuin op, terwijl andere een uitgesproken voorkeur hebben voor één specifieke omgeving.

In de inleiding van het drieluik over plantentaal geef ik al aan dat plaagdieren geen kans krijgen om de overhand te nemen in de Kleine Idylle. Lieveheersbeestjes spelen daarin een grote rol: zij bewaken hun eigen leefgebied en houden overlast in toom. Wanneer je de Kleine Idylle binnenkomt, kun je de kronkelwilg niet missen. Deze oude dame woonde al in de tuin voordat ik er zelf kwam. Zij is het domein van het roomvleklieveheersbeestje: een bescheiden, robuuste kleine werker met een bruin‑ tot wijnrood jasje. Op dat jasje zitten in keurige rijtjes veertien witte knoopjes - eerst twee, dan vier, dan zes, en weer twee. Geduldig loopt ze alle kronkeltakken af, op zoek naar luizen. En ondertussen houdt ze, vanaf haar hoge positie, het reilen en zeilen in de Kleine Idylle in de gaten

In de tussenlaag, waar het hele jaar door afwisselend knoopkruid, middelste teunisbloem, kaasjeskruid, wederiksoorten, hartbladzonnebloem, damastbloem en nog vele andere soorten bloeien, is het een drukte van jewelste. Daar voelen vooral de lieveheersbeestjes met de oranje jasjes en zwarte stippen zich thuis. Soms met twee stippen, vaak met zeven, en af en toe zelfs met dertien. Terwijl ze van plant naar plant trekken, lijken ze het helemaal niet erg te vinden om andere insecten tegen te komen. Behalve de mieren natuurlijk — maar ja, die hebben dan ook zo’n beschermingsdrang als het om bladluizen gaat. Niet uit mededogen, maar omdat ze hun luizenkolonie liever voor zichzelf houden om te melken.

In de laag van de kruidige planten en grassen zien we het schaakbordlieveheersbeestje. Alsof deze soort een voorkeur heeft voor wat ‘pittiger’ eten. En hoewel haar kleurenpatroon vrolijk en speels oogt, is ze zelf nogal schuw. Zodra ze doorheeft dat je haar ziet, probeert ze zich te verstoppen - alsof ze iets doet dat het daglicht eigenlijk niet mag zien.

In de overgangszone rondom de vijver, waar planten staan als gele lis, moerasvergeet‑me‑nietje, watermunt, dotterbloem, koninginnenkruid en waterweegbree, beweegt een onopvallende verschijning. Hier, waar water en land elkaar raken en alles net iets vochtiger, zachter en weelderiger is, inspecteert zij de stengels en bladeren in haar roze‑zwarte jasje. Zodra bladluizen denken dat er hier iets te halen valt, kunnen deze planten rekenen op het vloeivleklieveheersbeestje. Het is alsof zij de ademhaling van deze vochtige wereld bewaakt.

En dan is er nog de Florence Nightingale onder de lieveheersbeestjes: het citroenlieveheersbeestje. Zij bekommert zich niet om bladluizen; daar zijn in de Kleine Idylle al genoeg anderen druk mee. Nee, zij zoekt de plekken op waar de planten wat bleekjes ogen, waar het blad dof wordt en de nerven zich aftekenen. Ze is alert op de eerste witte vlekjes van meeldauw en trekt zo, onvermoeibaar, door de hele tuin.

Je ziet haar vaak pas als je goed kijkt: een klein, zachtgeel stipje dat langs een stengel schuift, alsof ze de temperatuur van het blad opneemt. Ze maakt zich regelmatig druk om de andere insecten, die achteloos door de tuin scharrelen en zo de meeldauw aan hun voetjes meenemen van plant naar plant. Zij is degene die dat in de gaten houdt, die de schade beperkt, die de zwakkere planten een kans geeft om te herstellen.

Naast deze inheemse lieveheersbeestjes struint er ook een ontheemde soort door de Kleine Idylle: het Aziatisch lieveheersbeestje. Haar voorouders werden in het begin van deze eeuw hiernaartoe gehaald om te helpen bij de biologische bestrijding van bladluizen. Met hun inzet ondersteunden ze de economie en pasten ze naadloos in de politieke wind die toen waaide. De huidige generaties worden echter vaak als een plaag gezien, als een soort die hier niet thuishoort. En het is alsof ze dat voelen - alsof het hen frustreert.

Zonder historische binding, in een omgeving die zo anders is dan die van hun voorouders, vertonen ze gedrag dat de kwetsbare balans verstoort. Het lijkt alsof ze hun ongenoegen te lijf gaan met een niet te stillen honger. Ze bijten om zich heen, of het nu om bladluizen gaat of om de eitjes en larven van andere insecten. Alsof ze, in hun zoektocht naar een plek, alles grijpen wat binnen hun bereik komt.

Toen ik dit alles zag, die beschermers van de diverse biotopen en die ene, die alles lijkt te verstoren, kwam er langzaam een verhaal in mij op. Het verhaal van 'Het College van Hoeders'.